gelukzoeker
ge·luk·zoe·ker
zelfstandig naamwoord • de m • gelukzoekers
1 iem. die zich met alle (ook oneerlijke) middelen fortuin en aanzien tracht te verwerven= fortuinzoeker, avonturier, goudzoeker
gelukzoeker
ge·luk·zoe·ker
zelfstandig naamwoord • de m/v • gelukzoekers
1 iem. uit een ander land, met raar eten en soms een baard of een jurk, of allebei bij mannen en vrouwen. Komt samen met heel veel anderen als een tsunami. Vecht en verkracht. Pakt alles af, ook onze Joodskristelukke cultuur, Maakt alle PVV stemmers heel bang en boos.
Ik ben het eigenlijk niet eens met beide definities. We zijn met ruim 7 miljard mensen op deze aarde en volgens mij zoeken we allemaal geluk; zelfs diegenen die het geluk al lang hebben gevonden. Wij in Nederland hebben veel geluk. We leven in een relatief fijn en rijk land, met een prima vrijheid en veiligheid. Niets om bang voor te zijn en veel om gelukkig van te zijn.
Toch zoeken we nog meer geluk, net als iedereen. Waarom gunnen we diegenen die erg weinig geluk hebben gehad ook niet een beetje. Gelukzoeker is eigenlijk een geuzennaam.

Warme instemming mijnerzijds. Er zijn teveel woordenboeken in dit land, waaronder de Haatdragende Rotterdammer en de Xenofobische Woerdenaar.
Welkom terug. Ik dacht dat het erger was en dat je bijvoorbeeld met beide benen in de feesboekval was getrapt.
Eens qua gelukzoekeropvatting. Toch vind ik gelukzoekers nogal dom. Dwz als mensen het gevonden hebben, dan beschouwen ze dat niveau na verloop van tijd als normaal en gaan ze weer verder met opnieuw gelukzoeken. Komt dus geen eind aan. Zelf was ik een tevredenzoeker en nu ik tevreden ben vind ik dat prima.
Overigens Lubach nog bekeken met zijn aanprijzingen voor Denemarken?